Het planten van een roos
Iedere roos heeft een optimale worteldiepte, die wordt bepaald door de wijze waarop de wortels aan het begin van zijn leven zijn gevormd.
Als de plant aanzienlijk dieper in de grond komt, zal de toevoer van lucht die benodigd is voor de wortels afnemen, zodat hij op dezelfde manier stikt en sterft als een boom waarbij tijdens werkzaamheden te veel aarde rondom de stam werd opgehoopt. De knokkelachtige knoest op de hoofdstam - het veredelingspunt dat bij thee hybriden, floribunda's, floribunda theehybriden en vele klimrozen duidelijk zichtbaar is - is voor de meeste rozen de sleutel tot de juiste plantdiepte. Op deze plaats is het oog van de gewenste cultivar - die om de superieure bloemen werd gekozen - geënt op de onderstam van een wilde roos met een groot, sterk wortelstelsel.
Om de plant op zijn plaats te krijgen met het oculatiepunt op de juiste hoogte, moet het gat zo worden gemaakt dat de wortels zich natuurlijk kunnen spreiden. Bij een plant zonder kluit zult u zien dat de wortels vanuit de voet van de hoofdstengel kegelvormig uitwaaieren. Om de struik steun te kunnen geven en de natuurlijke vorm van het wortelstelsel te behouden, hoopt u middenin het gat zoveel aarde op dat het oculatiepunt op het juiste niveau komt.
Vervolgens moet u opletten of het gat wel groot genoeg is.
Hak nooit stukjes van de wortel van een roos af om de plant in het door u gegraven gat te laten passen. Als de plant uitermate lange wortels heeft, ofzelfs een uitzonderlijk lange wortel, schep het gat dan zo diep uit, dat de extra lengte er niet ingepropt hoeft te worden. Leg de wortels ook niet in de rondte, maar laat ze op natuurlijke wijze hangen. U kunt alleen maar dankbaar zijn, dat de lange wortels bij het uitgraven op de kwekerij niet zijn gesneuveld. Ook moet ik u er nog op wijzen dat ik niet geloof in het nut van het afknippen van alle worteluiteinden. Dit wordt soms wel gedaan in de veronderstelling dat dit zou aanzetten tot de groei van dunne, nieuwe 'voedings' -wortels. Het enige wat men hiermee volgens mij bereikt, is dat openkomende cellen worden blootgesteld aan infectie door rotting.
Wanneer de plant op de juiste hoogte staat kan het gat worden opgevuld. Meestal scheppen tuiniers er eerst 10 tot 15 centimeter aarde in en stappen dan in het gat om de aarde rondom de wortels met de voeten aan te trappen. Pas echter goed op dat u geen wortels breekt en stap dus niet te dicht bij de hoofdstengel. Daarna kan het gat tot ongeveer een handbreedte van de bovenkant worden gevuld. Vervolgens haalt u de tuinslang erbij en laat het overblijvende gat met een dun straaltje water langzaam vollopen. Als het water is weggezakt kan het gat geheel met aarde worden dichtgegooid.
Wanneer u zover klaar bent, maakt u nog een tijdelijk aardheuveltje rondom de voet van de plant. Dit zal de stengels beschermen tegen uitdroging alvorens de planten gaan uitlopen en het zal ze vochtig houden tijdens de periode waarin nieuwe wortels worden gevormd. Het heuveltje moet rondom de planten blijven tot de jonge scheuten zo'n halve centimeter lang zijn. Als u de aardrand laat liggen tot de nieuwe tere groei ongeveer 2 centimeter lang is, dan kan die bij het weghalen van de grond al gauw afbreken. Door de lichte, jonge scheuten regelmatig in de gaten te houden, kunt u nagaan wanneer het heuveltje precies moet worden verwijderd. U kunt het grootste gedeelte met een planteschopje weghalen en het laatste restje met een zacht straaltje uit de tuinslang wegspuiten, zodat de tere groei niet wordt beschadigd.
Rozestruiken in containers worden op nagenoeg dezelfde wijze geplant als rozestruiken met blote wortels. Het is echter niet nodig om na het planten een aardheuveltje rondom de struik aan te brengen. U kunt het beste de instructies bij de nevenstaande tekeningen volgen. Het belangrijkste is dat de wortelkluit bij het aftrekken van de pot geheel intact blijft. Als u hierop let kan een in de pot gekochte plant in het groeiseizoen op ieder gewenst tijdstip in behoorlijk voorbereide grond worden gezet, zonder enig risico dat het verplanten de rozen een knauw geeft, ook al zijn ze volop aan de groei of misschien zelfs al in bloei.
