Heidetuinen aanleggen
Goede doorlatende zandgrond zoals we die in onze bosrijke streken veel aantreffen, is het meest geschikt voor de aanleg van een heidetuin. De natuur is ook hier onze leermeester. In onze dennenbossen kunnen we zien dat op open plekken vanzelf heide groeit.
We moeten dus beginnen met de grond geschikt te maken voor heide. We maken de bovenste laag los tot een diepte van een steek, dat is ongeveer 30 cm. Daarna maken we de bovenrond vrij van ónkruid, vooral van die onkruiden die zich door de grond verspreiden door middel van wortelstokken, zoals kweekgras, zuring, boterbloemen enzovoort. Vervolgens brengen we een laagje tuin turf aan, 3-5 m3 per are, want heide vraagt om zure grond en heeft een hekel aan kalkrijke. We werken de tuin turf, ofwel doorgevroren zwartveen luchtig door de bovengrond. Bij een arme zandgrond gebruiken we het maxi mum, 5 m3 per are.
Dan kunnen we met de beplanting beginnen.
Eerst planten we de zogenaamde solitairs, dat wil zeggen enkele boompjes Rhododendrons en Azalea's, dwergconiferen en sparren. Daartussen plant men dan de heidesoorten. Bij het kiezen van het sortiment zorgen we ervoor dat de planten opeenvolgende bloei hebben. Er is heide die in de zomer bloeit, en ook heide die in de winter bloeit. Daar de winterbloeiers als Erica carnea en Erica darleyensis doorbloeien tot in april of mei, hebben we daarvan maar een derde deel nodig, terwijl twee derde van de beschikbare ruimte beplant kan worden met zomerbloeiers. Als we voldoende ruimte hebben, kunnen we tevoren het terrein een beetje heuvelachtig maken. De hooggroeiende soorten planten we dan op de hoogste en de kruipende en laagblijvende soorten op de laagste plaatsen. Verder moeten we rekening houden met de kleur van de bloem en zeker niet op de laatste plaats met de kleur van het loof.
We planten niet alle winterbloeiers bij elkaar, maar verspreiden ze tussen de zomerbloeiers, zodat er nu eens hier en dan weer daar een groep staat te bloeien. De kleur van het loof spreekt ook mee. Er zijn prachtige cultivars met geel of zilvergrijs loof, die de tuin een bijzonder levendig aanzien geven als de heide niet in massa bloeit. We verdelen ook die weer over verschillende groepjes. We letten er tevens op dat het geheel niet onrustig wordt.
In het heidesortiment komen bloemen voor van wit tot rood en paars, zelfs bijna zwart, toe. We mogen die nooit aanvullen met felgekleurde zomerbloemen als Salvia's, begonia's, Petunia's, Pelargoniums of Impatiens; evenmin met felrode of gele tulpen. Deze bloemen passen beslist niet in de rust van een heidetuin.
In de regel planten we 7 à 8 heideplanten op 1 m2. Van enkele soorten, die van nature kleinbossige plantjes maken, zetten we er 10 per m2, terwijl hard- en breedgroeiende culticars voldoende hebben aan 5 à 6 per m2. We planten ze nooit op rijen, maar we trachten weer het voorbeeld van de natuur te volgen. We maken grillige groepjes waarvan de ene soort doorloopt tussen de andere, dus nooit symmetrische rechthoeken of driehoeken. Heide wordt pas mooi als de bodem helemaal met planten is bedekt, want ze
wortelen maar ondiep en de wortels worden het best tegen zonnebrand en vorst beschermd als ze bedekt zijn door het loof. Als men bovenstaande plantafstand aanhoudt, zal binnen twee à drie jaar de ideale toestand worden bereikt. In die periode zal men het onkruid dat nog tussen de planten opkomt, zorgvuldig moeten uitplukken. Nooit schoffelen of grond tussen de planten losmaken. Dan beschadigt men de jonge wortels die zich pas hebben gevormd. Heideplanten houden van een koele voet, evenals Rhododendrons en Azalea's. Als men direct na het planten boven de kluiten een laagje bosgrond, sparrenaaIdengrond of bladgrond op de open plekken aanbrengt, bevordert men daardoor de hergroei.
