Zelf een wilde tuin maken

Het is altijd moeilijk om een begin te maken aan een wilde tuin, begin daarom ook met de grond. Knip in de herfst het gras en onkruid en haal het uit de grond.
Schep de bovenste 5 cm grond met de resterende planten erin weg en stapel de zoden ondersteboven op elkaar. De bovenste laag grond móet zo worden bewerkt, want zelfs verwaarloosde tuingrond is meestal veel te rijk en voedzaam voor wilde planten.

Spit de grond om en verwijder onkruidwortels. Binnen drie of vier weken - of vroeg in de lente als u vroeg in de herfst bent begonnen - komen dan weer nieuw eenjarig onkruid en scheuten van het vaste onkruid op. Haal ook deze weer weg.

Maak de grond net als bij een gazon gelijk, hark hem en strooi er per m2 75 g kalkmeststof over als hij veel klei bevat. Zaai een mengsel van gras en wilde plantenzaad; dit is te koop bij diverse tuincentra en gespecialiseerde kwekerijen.

De meeste wilde bloemen groeien beter op relatief arme grond dan op rijke grond. De voornaamste uitzondering daarop wordt gevormd door graanakkerplanten: die hebben liever rijkere aarde. Het kluwenklokje (Campanula glomerata) is bijvoorbeeld een plantje dat op de dunne bodem van kalkgrasland grote bloemen heeft. Maar als de mest van aangrenzende landbouwgronden zijn milieu binnendringt, blijft er nog maar een fractie van zijn vroegere glorie over - hij krijgt veel en grove bladeren en kleine, bleke bloemen. Robertskruid (Geranium robertianum) en muurleeuwebek (Cymbalaria muralis) groeien het best op een droge en zonnige muur, waar ze een dieprode of -paarse kleur krijgen. Op rijke grond verdrijft het ruwere gras het fijnere en de breedbladige weideplanten, en overwoekeren paardebloemen en brandnetels de zeldzamer planten. Daarom loont het altijd de bovenste 5 cm grond weg te scheppen op een perceel waar u wilde planten wilt kweken. De bloemen varen er wel bij, u spaart het geld voor mest uit en u krijgt meer vruchtbare leem om voor de cultuurplanten te gebruiken.



Pas op voor krachtige planten die zichzelf uitzaaien en voor planten die zich ondergronds verspreiden door het vormen van nieuwe stengels aan hun wortels. Ze verdringen stiekem andere soorten die mooier, maar minder agressief zijn.
Tot deze indringers behoren de haagwinde (Calystegia sepium), kweek (Elymus repens), zevenblad (Aegopodium podagraria), gestreepte leeuwebek (Linaria repens), akkerdistel (Cirsium arvense), sleedoorn (Prunus spinosa) en wilgeroosje (Epilobium angustifolium). Ook krachtige grassen als kropaar (Dactylis glomerata), Engels raaigras (Lolium perenne) en gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum) drukken andere planten weg als u ze hun gang laat gaan. Kijk ook uit voor luchtaanvallen van planten waarvan het zaad door de wind wordt verspreid, zoals de paardebloem en enkele andere composieten. Ook andere wilde planten kunnen beter niet worden gekweekt, zoals het voor het vee giftige Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea). Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) is 's winters de waardplant voor de zwarte boneluis, en de zuurbes (Berberis vulgaris) is het winterverblijf van een schimmel die graangewassen aantast. Plant geen van beide naast landbouwgrond.



Graaf nooit wilde planten uit voor in uw tuin - van de 53 zeldzame en beschermde soorten is het zelfs verboden zaad of stekken te nemen. Van de andere wilde planten mag echter wel zaad worden gewonnen mits u natuurlijk toestemming hebt van de eigenaar van het land waarop ze groeien. Stekken of zaad treft u in het wild meestal aan in bermen, op dijken en woeste gronden. Probeer echter geen zaad te winnen van planten waarvan er maar één of twee op een plek staan.
Als u denkt dat zeldzame planten gevaar lopen - bijvoorbeeld door oprukkende nieuwbouw - vraag de landeigenaar dan toestemming om het zaad of de planten weg te mogen halen. In het wild gewonnen zaad moet altijd direct in tuingrond worden gezaaid.



Wanneer u ophoud met maaien van uw gazon zult u opkijken van wat er allemaal gaat groeien.Tussen de witte bloemen van het madeliefje (Bellis perennis) en de witte klaver (Trifolium repens) kunnen opeens de paarse bloemen van de gewone bruneI (Prunella vulgaris) en de blauwe van enkele ereprijs (Veronica) opduiken, maar ook de minder gewenste paardebloem (Taraxum officinale) en grote weegbree (Plantago major). Geef uw gazon eens een andere aanblik met de veelzijdige margriet (Leucanthemum vulgare) en met gewoon duizendblad (Achillea milleJolium). Haal vroeg in het najaar een plag weg en strooi op die plek een mengsel van zaad en scherp zand. Hark en druk dit lichtjes aan. Het dure zaad heeft meer kans van slagen als u het in bewerkte bedden zaait of in zaaibakjes met tuingrond. Zet de jonge planten de volgende herfst met behulp van een schepje in het gazon. Als de tuingrond redelijk nat is, kunt u bollen van herfsttijloos (Colchicum autumnale) en de kievitsbloem (Frittilaria meleagris) planten, allebei inheemse en beschermde soorten.


U kunt het ook grootscheeps aanpakken: haal een deel van de zoden weg en zaai de voor uw grondsoort geschikte weideplanten (zie de schema's). Binnen enkele jaren kunt u zo een strak gazon dat elke week gemaaid moet worden, omtoveren tot een bloemrijke weide die slechts zo nu en dan moet worden bijgeknipt.