Witte waterlelie (Nymphaea alba)
Nymphaea alba is de belangrijkste vertegenwoordiger van de sectie Castalia en voor ons het prototype van een waterlelie. Deze soort komt voor van de kust van Noord Afrika tot in Scandinaviƫ en groeit daar in stilstaand of langzaam stromend water op een diepte van 30 cm tot 2 m
Een plas met witte waterlelies is bijzonder mooi. De bloem zelf behoort tot het fraaiste, wat het bloemenrijk te bieden heeft. Op de gladde, groene kelkbladen volgt een groot aantal bootvormige kroonbladen, die naar het midden van de bloem kleiner worden en tenslotte in meeldraden overgaan, een bewijs voor de theorie, dat alle delen van een bloem zich ontwikkeld hebben uit een gemeenschappelijke oorsprong. In het midden staat de gele, stervormige stamper, omgeven door een groot aantal gele meeldraden. Na een paar dagen buigen de meeldraden zich naar het midden in de vorm van een kegel. Na vier tot zes dagen gaat de bloem niet meer open en verdwijnt hij onder de waterspiegel. Is de bloem bestoven, dan zwelt het vruchtbeginsel op en worden er zaden gevormd; de overige delen van de bloem rotten weg. De wortelstok vormt in de oksels van de bladeren, die aanvankelijk opgerold zijn en die zich pas bij het bereiken van de wateroppervlakte ontplooien, voortdurend nieuwe bloemknoppen en pas in de herfst, wanneer de temperatuur van het water gaat dalen, houdt dit op.
De laatste knoppen blijven zitten en wachten tot het komende voorjaar met hun ontwikkeling. In mei verschijnen de eerste bladeren; in juni de eerste bloemen. Blad- en bloemsteel zijn meestal zeer lang, sterk en elastisch; hun weefsel is ten dele gevuld met lucht, waardoor een zekere stijgkracht ontstaat; dit is nodig, want ook bij wind en golfslag moeten de stelen naar boven gericht blijven. Mocht bij zeer hoog water bladeren en bloemen onder water geraken, dan zal men zien, dat na enkele dagen deze toch weer op het water drijven; de stelen groeien snel bij.
