Lisdodde (Typha)

De lisdodden behoren tot de mooiste en meest eigenaardige waterplanten. Alleen al de smalle, opstaande, blauwachtig groene bladeren vormen een fraai contrast tegen het horizontale wateroppervlak.
Vooral voor architectonisch gebouwde bassins zijn de lisdodden geschikt en soms is één plant samen met één waterlelie al voldoende om een fraaie ruimtewerking te verkrijgen. Vooral de kolven zijn fraai; ze zitten op het einde van een lange stengel, het onderste deel is vrouwelijk en blijft dus lang in tact omdat daar de vruchten moeten groeien, het top gedeelte is mannelijk en valt, wanneer het stuifmeel afgegeven is, meestal af; aan het loze uiteinde kan men zien, waar deze mannelijke bloemen gezeten hebben.

De vrouwelijke kolven zijn donkerbruin en men kan ze in de winter prachtig gebruiken voor droogboeketten. Maar ook langs waterpartijen kunnen ze deze lang sieren. In het voorjaar vallen de kolven uiteen, de zaadjes worden met de wind meegevoerd en kiemen, zodra ze op een daartoe gunstige plek zijn beland. De lisdodden breiden zich tamelijk sterk uit door hun uitlopers, die men dus in toom dient te houden.

De belangrijkste soort is T. latifolia, de grote lisdodde, die over de gehele wereld voorkomt. De bladeren zijn vrij breed (vandaar de naam) en de kolven dik; soms vindt men wel kolven van een koffiebruine kleur. De lisdodden groeien aan oevers, in moerassen en in water, dat wel 50 cm diep kan zijn. Bijzonder fraai zijn de kolven van T. angustifolia, de kleine lisdodde, die smallere bladeren en dito kolven heeft