Het planten van hagen

Bij het aanleggen van een nieuwe haag is het planten een belangrijke fase.
Hoe goed het planten werd uitgevoerd, is vaak jaren later nog beslissend voor het welzijn van de plant. Allereerst is de plantdiepte van belang.
Bij te diep planten ligt de aanzet van de hoofdwortels te diep in de grond en deze kunnen daardoor minder lucht opnemen. Te ondiep planten kunnen daarentegen worteldelen en daarmee ook scheuten verdrogen. Bomen en struiken worden altijd net zo diep geplant als ze daarvoor in de kwekerij gestaan hebben.
Plantgat uitgraven.

Het plantgat moet zo breed en diep zijn, dat de kluit er gemakkelijk inpast en er rondom nog een ruimte van ongeveer de halve doorsnee van de kluit overblijft. Bij verdichte of kleihoudende grond moet het gat nog groter zijn. Alleen zo breiden de wortels zich goed uit en groeien gelijkmatig aan. In een te krap plantgat kunnen zij zich niet genoeg ontplooien, en hebben ze last van de te geringe verankering.

Nu wordt de plant in het plantgat gezet. De doek rond de kluit openmaken. maar onder de kluit laten. omdat anders de wortels te veel beschadigd worden. Containerplanten uit de pot nemen en in het gat plaatsen. Van tevoren de uit de kluit gegroeide, geknikte of beschadigde wortels met een snoeischaar flink inkorten. De juiste plantdiepte controleren en met de voorbereide en naar behoefte verbeterde grond opvullen.). Tijdens het opvullen erop letten
of de plant mooi recht staat. Tussendoor eraan schudden, zodat er geen loze ruimten ontstaan. Tenslotte voorzichtig aandrukken, zodat de grond zich goed rond de wortels verdeelt. Rondom een kleine aardwal maken en de ruimte binnen deze gietrand met een slang langzaam vol water laten lopen. De grond moet door en door nat worden, zodat de luchtgaten kunnen dichtspoelen.

Bij het aanplanten van een haag graaft men een sleuf: zet de planten er op de juiste afstanden in en vult dan met aarde op.
Dit betreft vooral het aanleggen van een dichte haag. Eerst graaft u een sleuf ter lengte van de geplande haag en legt u de planten op de voorgeschreven afstanden ernaast. Als vuistregel geldt: Bij vrijgroeiende hagen 1,50 m plantafstand in de rij, bij snoeihagen 0,50 m, afhankelijk van de groeivorm en de omvang van de planten ook wel dichter of wijder.
Nu aan het uiteinde van de rij beginnen en de planten na elkaar in de sleuf zetten. Aarde opvullen. Rondom de sleuf een gietrand aanleggen en de haag goed watergeven. Voldoende bodemvochtigheid is noodzakelijk voor het aanslaan.