Het planten van heideplanten
Al naar gelang bodemgesteldheid en klimatologische omstandigheden dient men te beslissen of in de herfst of in het voorjaar geplant wordt.
Bij herfst- beplanting moeten heideplanten, coniferen en gevoelige vaste planten vóór eind september gepoot worden, zodat ze nog voor de winter nieuwe wortels kunnen vormen. De ervaring heeft geleerd, dat voor vele struiken en vaste planten (bodembedekkers en grassen) het voorjaar de beste planttijd is, al naar gelang weersgesteldheid al vanaf midden maart. Planten, die in potten en in containers gekweekt zijn, kunnen nog laat in het voorjaar gepoot worden.
Indien om de een of andere reden poten niet direct mogelijk is, dienen ze zeer zorgvuldig verzorgd te worden. Zo'n verzorging is altijd mede doorslaggevend voor het aanslaan van de planten. Verwelkte en bijna verdroogde planten krijgen een veel zwaardere start dan exemplaren, die goed verzorgd zijn alvorens ze gepoot worden. Planten, waarvan de wortels niet in een vaste kluit aarde zitten, worden in water gezet en direct daarna rechtop in aarde of vochtige turfmolm.
Pot- en container-planten worden op dezelfde wijze behandeld.
Bij struiken, waarvan de kluit aarde bij elkaar gebonden is, wordt deze losjes met vochtige aarde bedekt. Alle planten, die een goede kluit aarde hebben, kunnen voor enkele dagen in vochtige toestand op een schaduwrijke en beschutte plaats (kelder, garage) bewaard worden.
Bij het planten wordt volgens het ontwerp van het beplantingsschema gewerkt. Eerst worden de afzonderlijke struiken op hun plaats gelegd of gezet. De plaats en de afstanden worden kritisch bekeken en pas dan worden ze gepoot. Indien om de aardkluit gaaslinnen is geknoopt, wordt dit pas voorzichtig los gemaakt als de plant in het gat staat (open geknipt). Vervolgens worden op dezelfde manier dwergstruiken (brem, dwergconiferen e.d.) en andere afzonderlijke planten (grotere vaste planten en grassen) neergelegd en gepoot.
Tenslotte komen dan de heideplanten, bodembedekkers, lage vaste planten en grassen aan de beurt, die voor de open plekken bestemd zijn.
Planten in potten worden pas direct vóór het poten uit de potten gehaald. Alle planten zonder aardkluit worden kort voor het poten in water gedoopt. Heideplanten met hun fijne, gevoelige vezelworteltjes, mogen vooral niet te lang aan wind en zon blootgesteld worden. Grote struiken krijgen een passende steunpaal, die bij planten met eert aardkluit schuin in de grond geslagen moet worden, smalle, zuilvormige coniferen worden met een dunne houten of bamboe stok gesteund. Ook deze stok wordt enigszins schuin in de grond gestoken, evenwel zodanig, dat hij door takken bedekt is. In principe worden de planten niet veel dieper gepoot dan ze in de kwekerij gestaan hebben. Alleen wanneer in de herfst gepoot wordt, kunnen kleinere planten (heideplanten) iets dieper gepoot worden, opdat ze niet omhoog vriezen.
