Het planten en snoeien van coniferen
Gelukkig groeien coniferen in bijna elke goede grond, als er maar voldoende vocht en licht aanwezig is. Een rijke grond is zeker niet nodig en een teveel aan kunstmest is zelfs schadelijk.
Enkele coniferen hebben wel bepaalde eisen. Zo houden de meeste zilversparren (Abies) van een kalkarme bodem. De watercypres en de moeras cypres moeten vanzelfsprekend over voldoende water kunnen beschikken om goed te kunnen groeien. Wat de meeste zilversparren en ook enkele sparren betreft moet een beschutte standplaats worden gekozen in verband met vorst in het voorjaar.
In een nieuwe tuin kan de teellaag geheel of gedeeltelijk verloren zijn gegaan door de bouwactiviteiten. Eerst moet al het puin worden opgeruimd en dan kan een nieuwe teellaag worden aangebracht. Ook kan de grond diep worden gespit en vermengd met goedverteerde stalmest of compost. Turfmolm kan ingewerkt worden en over het oppervlak worden verspreid. Zijn er plekken met slechte afwatering, dan is de gemakkelijkste oplossing daar verhoogde bedden te maken of coniferen te kiezen die van vochtige omstandigheden houden of deze verdragen.
In een reeds bestaande tuin zal ook wel enige voorbereiding van de grond nodig zijn. Het is echter niet nodig de hele tuin te spitten; volstaan kan worden met het spitten en bemesten van die plaatsen waar geplant zal worden. Belangrijk is natuurlijk ook het verwijderen van onkruiden. Het best kan dat al vóór het spitten gebeuren, eventueel met gebruikmaking van een onkruiddodend middel.
De herfst en het voorjaar zijn de beste perioden om te planten. In containers gekweekte planten kunnen op willekeurige tijden geplant worden, als de bodem en het weer geschikt zijn. Het plantgat dat gegraven wordt, moet groter zijn dan de wortel kluit van de plant. De bodem van het plantgat wordt met een riek wat losgemaakt om de waterafvoer te verbeteren. Is de grond erg nat en zwaar dan kan een puinlaag gelegd worden voor de drainage. De uitgegraven grond wordt vermengd met bladaarde, compost of turfmolm.
Planten uit een container worden zo diep geplant dat de top van de wortelkluit ongeveer 2,5 cm onder de grond komt. Planten die van de kwekerij komen worden iets dieper gezet, dan ze op de kwekerij stonden. Aan de stam is die plek te vinden. Zet de plant midden in het plantgat en vul dan op met grond. Druk alles goed aan met de voet en laat een ondiepe rand rond de plant overblijven. Dat is handig bij het watergeven; vooral op lichte, goedafwaterende grond.
Bij het planten in een gazon worden eerst de graszoden weggestoken op de gekozen plaats. Die graszoden komen later in het plantgat met de begroeide kant onder en ze worden met een spa in stukken verdeeld. Het gaaslinnen dat rond de wortelkluit zit kan blijven zitten; het rot wel weg. Laat vooral de eerste. jaren de grond rond de voet van de plant onbegroeid. Leg een strooilaag van compost of turfmolm.
Na het planten is het zorgen voor water gedurende het groeiseizoen wel het belangrijkste werk. Na het aangieten bij het planten moet er gegoten worden als het twee of drie weken niet heeft geregend. Dat hangt natuurlijk ook af van het waterhotidend vermogen van de bodem. Giet de rand rond de plant vol water. Doe dat driemaal en laat dan een week voorbijgaan. Oudere bomen hebben in het algemeen genoeg aan de neerslag. Een strooilaag van turfmolm, bladaarde met wat beendermeel wordt eens per jaar vernieuwd. Het voorkomt verdamping, onderdrukt de onkruiden en levert voedingsstoffen aan de plant.
Steunstokken zijn bij goedgekweekte coniferen niet nodig, maar Leylandcypressen worden vaak met stok geleverd. Verwijder deze als ze niet meer nodig zijn.
Het snoeien. Coniferen behouden gewoonlijk hun decoratieve vormen beter dan andere bomen en struiken. Natuurlijk kan er door de sterke wind of door sneeuw een tak een andere stand krijgen. Bind die tak dan aan of zaag hem af om de omtrek van de plant goed te houden. Soms raakt de hoofdas van de plant beschadigd en er ontwikkelen zich twee of meer sterke zijtakken. De sterkste hiervan kan in een vroeg stadium verticaal aan een stok worden aangebonden; de andere worden verwijderd. Daarmee blijft de symmetrie van de boom behouden.
Heggen van coniferen moeten als regel eens per jaar (einde zomer) worden geknipt. Snelgroeiende coniferen, zoals Leylandcypressen, worden tussen half zomer en begin herfst tweemaal geknipt.
