Hollandse tuinkrokus (Crócus vérnus)

Afgeplatte ronde knollen en lange smalle bladeren, vaak met een opvallende witte middenstreep, die tegelijk met of iets vroeger dan de bloemen verschijnen. Bloemen op korte steeltjes, schijnbaar direkt uit de grond komend.
Eisen: Doorlatende voedselrijke grond. In voorjaar en herfst voldoende vocht, in de zomer daarentegen droogte. Behandeling: Uitplanten in de tweede helft van september of in oktober. Plantdiepte 6-8 cm. Krokussen kunnen jarenlang vast blijven staan. Als men ze wil verplanten, dient men ze omstreeks juli uit de grond te halen, schoon te maken en droog en koel te bewaren totdat ze worden uitgeplant. Vermeerdering: Zijknolletjes opkweken. Gebruik: In een gemengde beplanting van zaaibloemen met lage vaste planten, onder sierheesters en in rotstuinen. Ook veel geplant in gazons; de beplanting dient dan wel van tijd tot tijd te worden vernieuwd, omdat het geregeld maaien van het gazon de krokussen geleidelijk verzwakt. Grootbloemige soorten kunnen ook in bloembakken worden gebruikt, en voorts binnenshuis in bakjes of in speciale krokuspotjes.