Zomerbloemen vermeerderen
Bijna alle bloemen bloeien in het warme jaargetijde. Met 'zomerbloemen' bedoelt men echter veelal die groep van gemakkelijk te kweken gatenvullers die in een paar maanden tijd tussen vaste planten, op balkons, in potten en borders voor een fraaie kleurenweelde zorgen.
Voor weinig geld komen de 'eenjarigen' nog hetzelfde jaar tot bloei of verdelen 'tweejarigen' hun tijd over twee seizoenen: ze groeien in de herfst en bloeien in de lente. Een goed uitgebouwde zaadhandel beschikt over 400 à 700 verschillende bloemensoorten, een selectie uit duizenden mogelijkheden. Men biedt veelal alleen de mooiste of gemakkelijkste bloemen aan. Begonia's, petunia's, siertabak, leeuwenbek, slangenkop, lobelia, lucifersplant en vlijtig liesje groeien op uit zeer fijn zaad, dat al in februari gezaaid wordt, waarna twee keer verspeend wordt; in mei verschijnen de eerste bloemen. In maart zaait men het merendeel van de gevoeliger zomerbloemen uit zuidelijker landen, zoals afrikaantjes, klokwinde, kattensnor, hanenkam, wonderboom, zinnia en rotsschildzaad. Het opkweken ervan verschilt weinig van het opkweken van later uit te planten groenten en kan samen daarmee gebeuren op een vensterbank, in een kas of broeibak. Nogal wat zomerbloemen kan men meteen in volle grond zaaien, zoals clarkia, chrysant, leeuwenbek, centaurie (als snijbloem). Dit gebeurt dun verspreid in ondiepe zaaivoren
(1 tot 3 cm diep), waarbij men later te dicht staande exemplaren eventueel moet uitdunnen, op een zorgvuldig en fijngemaakt zaaibed of in een bak. Dat is een kleine, overzichtelijke oppervlakte die voor een zomerzaai nog met folie, vlies of beschaduwingsramen te beschermen is tegen uitdroging, vogels en wind; men kweekt er vanaf begin april planten met fijne zaden en structuur op.
Aster, goudsbloem, bekermalve, evenals muurbloem, driekleurig viooltje en vergeetmij-nietje zijn daarbij gebaat
bij een rijenafstand van 10 tot 15 cm. Met fijn gezeefde rijpe compost of met een humussubstraat zijn de zaaivlakken optimaal voor te bereiden. Zodra de plantjes gehanteerd kunnen worden, kan men ze op de voorziene plaats uitplanten.
Juni tot begin augustus is de zaaiperiode voor tweejarigen als duizendschoon, madeliefje, vingerhoedskruid, IJslandse papaver en stokroos. Schemerige schaduw, veel zuurstof, vochtige kiemomstandigheden en relatief koele temperaturen (15 tot l70C), zoals ze vooral voor driekleurige viooltjes en madeliefjes vereist worden, zijn in volle zomer vaak moeilijk te bereiken. Van nut zijn dan de reeds vermelde beschaduwingsramen of jute zakken die op het ingezaaide bed gelegd worden en tot het opkomen van het zaad voortdurend vochtig gehouden worden. Door verdampingskoelte daalt de kiemtemperatuur. Breedwerpig zaaien en het zaad bedekken met niet meer dan 5 mm! Het zaad van driekleurige viooltjes is omhuld met een dunne oliefilm die men kan verwijderen door het zaad met wat vochtig zand in de handen te wrijven. Het opkomen vraagt maar een paar dagen. Verwijder dan meteen de zakken, zodat de tere kiemplantjes er niet in vast komen te zitten.
