Bollen in rotstuinen en tussen tegels
Alle laagblijvende bolgewassen, of ze nu in de lente, de zomer of in de herfst bloeien, voelen zich thuis in rotstuinen of tussen tegels.
Verwijder alle steentjes op de plaats waar geplant moet worden en maak met een plantschopje gaten, twee keer zo diep als de bollen hoog zijn. Plant de bollen afzonderlijk of in groepjes van drie of vier. Maak daarna de grond weer gelijk en markeer de plaats.
Tot de bollen die al vroeg in het jaar de rotstuin een welkom kleurtje kunnen geven, behoren sneeuwklokjes (galanthus), wintercrocussen (Crocus chrysanthus), winterharde cyclamen (Cyclamen coum), winterakonieten (eranthis), dwergnarcissen en sterhyacinten (Scilla bifolia en S. tubergeniana).
Na de lentebollen zorgen de dwerg-alliums en -gladiolen voor kleur in de zomer. Deze kunnen worden gevolgd door sternbergia's en herfstcrocussen, waaronder vele soorten die 's winters bloeien.
Kleine bollen steken leuk af tegen zodevormende planten als tijm en acaena. Het heldergroene blad vormt een markante achtergrond voor de bloeiende bollen.
Waar de zodevormende plant stevig geworteld is, kan deze met een handriekje wat losgemaakt worden, waarna de bol met een stompe pootstok wordt geplant. Als de plant slechts één centrale wortel heeft rolt men de liggende stengels naar één kant en plant de bollen met een smal plantschopje.
Sommige bolgewassen, met name sneeuwklokjes, kunnen het best worden verplant als ze nog in de groei zijn. Verplant deze na de bloei. Plant ze op de oorspronkelijke diepte of iets dieper en houd ze vochtig tot de bladeren geel worden.
